De vergoedingswijze van blijvende hulp van derden
Wanneer een levenslange, geïndexeerde maandrente de voorkeur krijgt boven kapitalisatie.

Rb. West-Vl. (afd. Kortrijk) (2e k.) 3 maart 2026.
(hoger beroep tegen Pol. West-Vl. (afd. Kortrijk) 13 maart 2024, AR 23A13240.)
De politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk kende aan het slachtoffer van een verkeersongeval een vergoeding voor “blijvende hulp van derden” toe. Zij berekende deze schadevergoeding aan de hand van de kapitalisatiemethode. De verweerder was het hier niet mee eens en tekende hoger beroep aan. Hij verzocht om de schadevergoeding voor hulp van derden te berekenen aan de hand van een jaarlijks te indexeren maandrente. De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, volgde de verweerder en hervormde op 3 maart 2026 het vonnis van de politierechtbank. In plaats van een gekapitaliseerd bedrag van 596.506,60 euro voor blijvende hulp van derden kende zij een jaarlijks te indexeren maandrente van 3.497,92 euro toe.
Paginaverwijzingen hieronder verwijzen naar dit vonnis.
De uitgelichte uitspraak
Rb. West-Vl. (afd. Kortrijk) (2e k.) 3 maart 2026.
(hoger beroep tegen Pol. West-Vl. (afd. Kortrijk) 13 maart 2024, AR 23A13240.)
De feiten
Een fietser raakte op 17 september 2019 zwaargewond in een aanrijding met een voertuig; de gehoudenheid van de WAM-verzekeraar van het voertuig op grond van artikel 29bis WAM-Wet stond niet ter discussie (p. 2). Het tegensprekelijk deskundigenverslag stelde dat er een blijvende persoonlijke ongeschiktheid van 100 % was en voorzag bijkomend een noodzaak aan hulp van derden, zowel voor huishoudelijke taken als voor taken van persoonlijke verzorging. Het verslag maakte een onderscheid tussen hulp op dagen met huisverblijf (1 u gespecialiseerde hulp, 4 u niet-gespecialiseerde hulp, 19 u toezicht) en hulp op dagen met verblijf in een dagcentrum (1 u, 3 u, 12 u). Er werd door de deskundige opgemerkt dat in de toekomst opname in een verzorgingsinstelling nodig zou zijn als en zodra de echtgenote de zorg niet meer zou aankunnen (p. 4).
De politierechtbank kende op 13 maart 2024 in totaal een schadevergoeding van 909.298,09 euro toe, waarvan 596.506,60 euro betrekking had op de hulp van derden na consolidatiedatum (p. 2). Er werd énkel hoger beroep aangetekend wat betreft de schadevergoeding voor hulp van derden.
De beslissing van de beroepsrechter
| Periode | Toegekend | Aftrek |
|---|---|---|
| 13 maart 2024 – 3 maart 2026 | 82.915 euro (115 euro × 721 dagen), meer vergoedende rente vanaf 8 maart 2025 | Zorgbudget + integratietegemoetkoming |
| Vanaf 3 maart 2026 | 3.497,92 euro per maand (115 euro × 365 / 12), tegen de vijfde van elke maand, jaarlijks te indexeren | Zorgbudget + integratietegemoetkoming + VAPH |
De aftrek is dus ruimer voor de toekomst dan voor het verleden (p. 5 en 7).
De redenering
Met uitzondering van het principe van integrale schadeloosstelling bestaan er geen wettelijke regels voor de wijze waarop de blijvende hulp van derden moet worden begroot (p. 4). De rechtbank verwijst naar de indicatieve tabel (Indicatieve tabel 2020, T.Pol. 2021, afl. 2, 59) die stelt dat de toekomstige schade wordt vergoed “op basis van de voor het specifieke slachtoffer meest aangewezen methode”, en besluit daaruit dat naar de concrete omstandigheden moet worden gekeken. Vervolgens sluit zij zich aan bij de passage uit de indicatieve tabel 2020 die de geïndexeerde rente “de meest passende vorm” noemt bij een ernstige blijvende ongeschiktheid (p. 5), en beslist:
“Aangezien bij de begroting van de schade op basis van een jaarlijks te indexeren maandelijkse rente enerzijds rekening wordt gehouden met de concrete levensduur van het slachtoffer en anderzijds ook met de muntontwaarding, is de rechtbank, in tegenstelling tot de eerste rechter, van oordeel dat de toekenning van een levenslange maandelijkse rente, jaarlijks te indexeren, een concretere en correctere vergoeding vormt, die meer aansluit bij de schade zoals die zich in realiteit zal voordoen, dan een vergoeding aan de hand van een kapitalisatieberekening.”
Dat de ongeschiktheid en de noodzaak aan hulp van derden blijvend zijn, staat voor de rechtbank vast. Veranderlijk is volgens haar wel de invulling van de “zorgsituatie en de zorgbehoefte”: die zal “met zekerheid” evolueren, “minstens zal de kostenstructuur veranderen”, terwijl ook de levensduur “een volstrekt onzekere factor” is (p. 6).
De argumenten tegen toepassing van de rente en het antwoord van de rechtbank hierop
| Argument | Antwoord van de rechtbank |
|---|---|
| Kapitalisatiemethode en rentemethode zijn gelijkwaardig, dus primeert de voorkeur van het slachtoffer | “Bij onenigheid, beslist niet het slachtoffer, maar de rechter over de vergoedingswijze.” (p. 5) |
| Een rente brengt administratieve rompslomp mee | “De aangevoerde administratieve lasten zijn geen juridisch criterium voor de bepaling van de passende berekeningsmethode.” (p. 6) |
| Risico op insolvabiliteit van de schuldenaar (door de rechtbank “volledigheidshalve” opgeworpen) | Het risico is hier “bijzonder miniem” (p. 6) |
Wat opvalt
De rechtbank meent dat zij tegen de wil van het slachtoffer een rente kan opleggen. Zij motiveert dit door te stellen dat kapitalisatie net méér risico inhoudt voor het slachtoffer dan de toekenning van een rente. De toekenning van een kapitaal zou een risico op ondervergoeding geven, bijvoorbeeld omdat we geen zekerheid hebben over de levensduur van het slachtoffer of omdat de invulling van de zorg structureel kan wijzigen van thuiszorg naar residentiële zorg. De rechtbank stelt dat dit bij toepassing van de kapitalisatiemethode zou “leiden tot voortdurende discussies, bijsturingen of herzieningsvorderingen”, terwijl een rente “een stabiel, transparant en eenvoudig toetsbaar instrument” is (p. 6).
Opmerkelijk: artikel 6.34 BW voorziet sinds 1 januari 2025 uitdrukkelijk de mogelijkheid voor de rechter om een rente tegen de wil van de benadeelde op te leggen. In de parlementaire voorbereidingen lezen we: “Omstandigheden die de toekenning van een dergelijke rente tegen de wil van de benadeelde kunnen verantwoorden, kunnen onder meer zijn de beperkingen en het gebrek aan autonomie van de benadeelde, zijn jonge leeftijd, de bekommernis om hem te beschermen tegen weinig gewetensvolle derden of om zijn levensstandaard te waarborgen.” (Wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek, Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 55-3213/001.) De rechtbank van eerste aanleg Kortrijk motiveert de toekenning van een rente op grond van andere risico’s/omstandigheden.
Twee uitspraken over een verwante vraag: rente of forfait per punt
33 % ongeschiktheid: forfait geweigerd, dagbedrag verhoogd
Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) (AC6) 28 juni 2024.
Consolidatie op 4 juni 2020 met 33 % blijvende persoonlijke, economische en huishoudelijke ongeschiktheid na een pijnpathologie ter hoogte van schouder en rug. De politierechter had een geïndexeerde rente bevolen, berekend aan de hand van een dagvergoeding van 25 euro voor de persoonlijke ongeschiktheid en 7 euro voor de huishoudelijke ongeschiktheid.
De veroordeelde verzekeraar kon zich hier niet in vinden en verzocht de beroepsrechter om de vergoeding via een forfait per punt toe te kennen, of uiterst ondergeschikt zelf een rente; het slachtoffer vroeg bij incidenteel beroep bevestiging van toepassing van de rentemethode, maar berekening aan de hand van een hoger dagbedrag. De rechtbank noteert dan ook dat “beide partijen de berekening volgens de geïndexeerde rente voorstaan”.
De toekenning van een forfait sneuvelde op twee gronden. De beroepsrechter meent dat een schadevergoeding van 800 euro per graad van ongeschiktheid (26.400 euro voor 33 %) “duidelijk een ondervergoeding” zou uitmaken en dat de rente “beter rekening [houdt] met de reële levensduur van het slachtoffer”. Voor de huishoudelijke schade voegt de rechtbank toe dat een forfait per punt “uit den boze” is omdat het “totaal onvoldoende rekening [houdt] met de duur waarover de schade zich uitstrekt”. Het gewenningsargument wordt daar verworpen omdat de klachten “veeleer [zullen] verergeren dan verbeteren”.
De beroepsrechter past dan ook, net als de eerste rechter, de rentemethode toe, maar verhoogt het dagbedrag van 25 naar 28 euro. Dat geeft:
- persoonlijke schade: 28 × 365 × 33 % = 3.372,60 euro
- huishoudelijke schade: 7 × 365 × 33 % = 843,15 euro
samen een aan de gezondheidsindex gekoppelde levenslange jaarrente van 4.215,75 euro, of 351,31 euro per maand.
5 % ongeschiktheid: de rechtbank blijft bij het forfait
Rb. West-Vl. (afd. Brugge) (B11) 17 mei 2024.
Twee slachtoffers van wie de letsels beide geconsolideerd werden met 5 % blijvende persoonlijke ongeschiktheid na een whiplashtrauma, kregen een vergoeding per punt (forfaitmethode). In hoger beroep verzochten zij om toepassing van de rentemethode in plaats van vergoeding per punt.
De rechtbank weigert, op drie gronden:
- bij een geringe invaliditeit is “geenszins bewezen (...) dat de schade voor en na consolidatie van dezelfde intensiteit zal zijn” en “deze klachten kunnen na verloop van tijd verdwijnen”;
- de schadepost is hier “hoofdzakelijk als morele schade te aanzien” en dus onderhevig aan “gewenning en/of aanpassing”, “des te meer bij lagere invaliditeiten”;
- een rente zou daardoor tot oververgoeding kunnen leiden.
Zij stelt daarbij uitdrukkelijk dat “de geïndexeerde rente (...) bedoeld [is] voor jonge en zwaar getroffen slachtoffers”.

De rode draad
De drie rechtbanken lijken alle argumenten te zoeken op basis van de “zekerheid waarmee vaststaat dat de schade zich in de toekomst zal voordoen zoals ze zich vandaag voordoet”.
De rechtbank in Brugge meent dat die zekerheid er niet is bij lagere ongeschiktheid van hoofdzakelijk morele schade. De onzekerheid wordt daar als argument tegen toepassing van de rentemethode gezien: die zou tot oververgoeding leiden. De rechtbank in Antwerpen gebruikt de onzekerheid als argument pro toepassing van de rentemethode: zij meent dat de klachten in het concreet voorgelegde geval “veeleer verergeren dan verbeteren” en meent dat het gebruik van de forfaitmethode dan ongepast zou zijn, omdat dit geen rekening houdt met de duur waarover de schade zich uitstrekt.
De rechtbank in Kortrijk stelt vast dat de deskundige reeds een mogelijke evolutie in de toekomstige zorginvulling ziet. Dat de zorgafhankelijkheid blijvend is, stond vast: 100 % ongeschiktheid, tegensprekelijk vastgesteld. Toch volstond dat niet om kapitalisatie toe te kennen. Wat de rechtbank veranderlijk achtte, was niet de nood aan hulp van derden zelf, maar de invulling ervan. Dit zorgde er, samen met het argument dat er onzekerheid is over de levensduur, voor dat de rechtbank de rentemethode toepaste.
Themaverdieping: de bouwstenen van een rente
De keuze voor een rente vereist bijkomend een aantal onderliggende beslissingen. Het Kortrijkse dispositief past vijf bouwstenen toe (p. 7) die ook in uw zaak inspiratie kunnen bieden:
- 1
Beslissing over het bedrag en modaliteiten voor betaling:
3.497,92 euro, telkens tegen de vijfde van de maand. - 2
Indexering:
jaarlijks, eerste keer op 1 maart 2027, met de gezondheidsindex van februari 2026 als basisindex. - 3
Af te trekken bedragen aan de hand van bewijsstukken:
zorgbudget, integratietegemoetkoming en VAPH gaan doorlopend in mindering op de rente. Dat staat niet in een voorbehoud, maar in het dispositief zelf, waar de berekeningswijze van de rente wordt aangegeven. - 4
Jaarlijkse bewijslast:
tegen 1 februari: een doktersattest over de woon- en leefsituatie, facturen en bewijzen van gewijzigde noden, én de stukken die de tegenpartij uiterlijk op 31 december heeft opgevraagd. Die derde categorie is open. - 5
Herzienbaarheid:
de vergoeding kan worden gewijzigd in functie van de reële nood aan derdenhulp.
Bronnen
De citaten zijn overgenomen uit de geanonimiseerde uitgiftestukken.
Overige bronnen
Indicatieve tabel 2020, T.Pol. 2021, afl. 2, 59.
Wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek, Parl.St. Kamer 2022-23, nr. 55-3213/001.
Uitgelicht (bijgevoegd)
Rb. West-Vl. (afd. Kortrijk) (2e k.) 3 maart 2026. (hoger beroep tegen Pol. West-Vl. (afd. Kortrijk) 13 maart 2024, AR 23A13240.).
Paginaverwijzingen in deze nieuwsbrief verwijzen naar dit stuk.
Verder aangehaald (niet bijgevoegd)
Rb. Antwerpen (afd. Antwerpen) (AC6) 28 juni 2024. (hoger beroep tegen Pol. Antwerpen (afd. Antwerpen) 13 juni 2023.).
Rente of forfait per punt bij 33 % blijvende ongeschiktheid.
Rb. West-Vl. (afd. Brugge) (B11) 17 mei 2024. (hoger beroep tegen Pol. West-Vl. (afd. Brugge) 7 september 2023.).
Rente of forfait per punt bij 5 % blijvende ongeschiktheid.


